Hoogbegaafdheid onderzoek
Dit onderzoek richt zich op de vraag of er sprake is van hoogbegaafdheid. Niet altijd wordt op de basisschool en het voortgezet onderwijs hoogbegaafdheid onderkend. Soms hebben de ouders het vermoeden dat hun kind hoogbegaafd is, maar zij vragen zich dan af of dit ook werkelijk het geval is.

Persoonskenmerken als hoge intellectuele capaciteiten, doorzettingsvermogen en creativiteit, moeten aanwezig zijn, wil men kunnen spreken van presteren overeenkomstig hoogbegaafdheid. Een hoogbegaafd kind kan tot hoge prestaties komen wanneer die persoonskenmerken aanwezig zijn en er een positief stimulerende sociale omgeving is.
Een belangrijk aspect in dit onderzoek naar hoogbegaafdheid is de intellectuele aanleg. Voor de bepaling hiervan wordt de WISC-III afgenomen. De nieuwe Nederlandstalige editie van de WISC-III is een grondige vertaling en bewerking van de Engelse editie. De vertaling en aanpassing zijn verzorgd door het NIP Dienstencentrum.
Voor het diagnostisch onderzoek vindt een gesprek met de ouders plaats. Op de testdag zelf zal de proefleider eerst met hun kind een praatje maken om er verzekerd van te zijn dat de test onder optimale omstandigheden kan worden afgenomen. Als bijvoorbeeld hun kind veel faalangst zou hebben, wordt daar eerst aandacht aan besteed. Aan de hand van de observaties tijdens het gesprek kan de proefleider besluiten om de test op een ander tijdstip af te nemen.
Na afloop van het onderzoek, dat een groot deel van een schooldag in beslag neemt, worden de bevindingen met de ouders besproken alsook met hun kind.





Leerniveau